Schrijfwedstrijd

Schrijfwedstrijd

Enkele maanden geleden heb ik voor het eerst een verhaal ingezonden voor een schrijfwedstrijd en wel die van The Post Online. Het inspireerde me omdat het thema: dystopie Nederland over vijftien jaar was, en dan iets met subthema: vrijheid van meningsuiting. Helaas heb ik niet gewonnen, maar wilde toch mijn inzending met jullie delen, omdat ik het leuk vond om te doen en omdat ik hoe dan ook trots ben op wat ik geschreven heb!

*****

Ik heb honderden, misschien wel duizenden keren aan de keukentafel tegenover mijn vader gezeten. Als hij ’s ochtends vroeg, al krant lezend, zijn kom havermout oplepelde, at ik mijn boterham met aardbeienjam en keek ik af en toe op van mijn telefoon. Ik kon altijd precies aan zijn gezicht aflezen wat voor artikel het was. Als hij zijn wenkbrauwen diep fronste ging het over politiek en als hij het dunne papier tussen zijn duim en wijsvinger kreukte en zijn hoofd schudde, had zijn favoriete voetbalclub weer eens verloren . Maar zoals hij vandaag voor me zit heb ik hem nog nooit gezien en dat komt niet alleen door de plek. Zijn warrige asblonde haar piekt alle kanten op en aan de wallen onder zijn ogen te zien heeft al een tijd niet veel meer geslapen. Ik kan het hem niet kwalijk nemen. Hij is niet de enige .

“Hoe is het nu op school ?” vraagt hij .

Ik haal mijn schouders op. “Gewoon”

Gewoon betekent in mijn geval alles behalve gewoon. Dat ik er de afgelopen drie weken elke dag met lood in mijn schoenen naartoe fiets vertel ik hem niet. En dat niet alleen mijn klasgenoten, maar ook de leraren me beschuldigende  blikken toewerpen hoeft hij ook niet te weten.

“Hoe is het eigenlijk met die jongen afgelopen?” vraagt hij. “Hoe heet hij ook alweer…” Hij wrijft met zijn hand door zijn stoppelbaard en doet zijn ogen dicht in een poging zijn naam te herinneren. “Zijn vader zat naast hem, die man met dat ronde brilletje”

“David” zeg ik.

“David!” herhaalt hij. “Ik wist dat het iets met de letter ‘d’ was” Hij klinkt bijna triomfantelijk.

“David,” zeg ik nog een keer, maar nu wat harder, “is er goed vanaf gekomen. Hij is van school gestuurd en heeft alleen een taakstraf van 240 uur gekregen plus twee jaar voorwaardelijk”

Papa laat zich met een zucht achterover in zijn stoel zakken. “Alleen omdat hij applaudisseerde…” moppert hij meer in zichzelf dan tegen mij.

Het liefst wil ik meteen fel reageren en hem toebijten dat het zijn schuld is, maar in tegenstelling tot mijn vader denk ik wel eerst na. Ik kijk over mijn schouder. Deze ruimte is al even troosteloos als de situatie waarin mijn vader zit. Kale grijze muren. Een cementvloer. Donkerblauw beklede stoelen met zo’n typisch printje erop dat je verder alleen in wachtkamers en het openbaar vervoer ziet . Het enige wat nog iets van sfeer geeft, voor zover dat mogelijk is, is de plastic plant bij de ingang. De agent in uniform die ernaast staat, laat zijn stoïcijnse blik langs de tafels glijden. Bij elke tafel wacht hij even, een halve seconde maar, alsof hij zo voorgeprogrammeerd is. Als we elkaar plotseling aankijken is mijn eerste ingeving om onschuldig te glimlachen, maar op het laatste moment wend ik mijn hoofd af.  Zo nonchalant mogelijk veeg ik een pluk haar achter mijn oor, terwijl ik slik en hoop dat hij niet denkt dat ik nerveus ben. Dan laat ik mijn stem zakken .

“Niet alleen daarom” zeg ik. “Ik heb gehoord dat hij op Facebook een link geplaatst had naar het nieuwsbericht met daarbij het woord ‘held’”

“Godsamme,” vloekt papa mompelend. Hij kijkt me peinzend aan, als een verstandige vader die zich klaar maakt voor een preek. Om dat nog eens te versterken vouwt hij zijn handen in elkaar en leunt hij voorover over de tafel . “Jij hebt toch geen.. “Zijn ogen flitsen even naar de deur voor hij verder gaat. “Facebook of iets dergelijks?” fluistert hij. “Twitter, Instagram?”

“Natuurlijk niet” Ik rol opzichtig met mijn ogen. “Denk je dat zo’n risico ga nemen?”

“Ik wil er alleen mee zeggen dat je voorzichtig moet zijn,” benadrukt hij. “Ze houden mama en jou ongetwijfeld extra in de gaten .”

“Nadat jij bent weggegaan zijn de computer en mijn laptop in ieder geval opnieuw geïnstalleerd,” zeg ik veelbetekenend. Mijn vader begrijpt de hint, want zijn mond vertrekt in een strakke lijn. “Dus ik zou wel gek zijn als ik iets op zou willen zoeken.”

“De wereld,” zegt mijn vader. “Die is gek geworden.” Hij snuift verontwaardigd. “Vroeger kon je gewoon zeggen wat je vond,  vrijheid van meningsuiting noemden ze dat. Je mocht de straat op gaan en demonstreren voor wat dan ook, zonder consequenties.”

“En vroeger mocht je nog je eigen ongecensureerde filmpjes op YouTube zetten, ik weet het,” zeg ik geïrriteerd en kijk hem strak aan. “Het is geen 2018 meer, pap. Het is 2033 en je kunt niet zomaar dingen roepen, en al helemaal niet op een ouderavond.”

Precies op het moment dat hij zijn mond opendoet om te reageren klinkt er een schel piepend geluid dat me ineen doet krimpen. Papa en ik kijken tegelijkertijd om naar een man links van ons, ongeveer twee meter bij ons vandaan. Hij is nog jong, achterin de twintig gok ik, met een kort opgeschoren kapsel en oren die net iets te groot zijn voor zijn hoofd. Hij heeft zijn stoel naar achteren geschoven en is opgestaan. De agent bij de deur zet alert een stap naar dichterbij en legt een van zijn handen die hij eerst nog achter zijn rug had, op de wapenstok op zijn heup .

“Weet je wat je die incompetente eikel van een advocaat mag vertellen?” zegt de jonge man op luide toon. Met een dreigende vinger wijst hij naar een onzichtbaar persoon. “Dat hij die schikking op een plek mag steken waar de zon niet schijnt!” De man en vrouw voor hem, ongetwijfeld zijn ouders, proberen hem met handgebaren en prevelend te sussen, maar het is al te laat. De deur gaat open en er komen nog twee breedgeschouderde agenten naar binnen die kordaat en in een rechte lijn op de van woede trillende man aflopen. Hij weert zich af met zijn handen, maar die grijpen ze direct vast.

“Ik ga in hoger beroep,” roept hij. “Met of zonder jullie, maar zeker zonder die arrogante, over het paard getilde-…” Zijn laatste woord wordt gesmoord door de klap waarmee de agenten hem met zijn wang op het tafelblad duwen. Hoe hij ook worstelt en schreeuwt, ze boeien zijn handen achter zijn rug en voeren hem zo snel mogelijk weg.

Zijn ouders blijven ontredderd achter. Zijn moeder heeft een zakdoekje over haar neus en mond en haar schouders schokken zachtjes. De man legt troostend een hand op haar rug.

“Hij zat in de trein,” zegt mijn vader.

“Wie?”

“Hij. Die man. Tom,” knikt hij naar de deur.

“Hij zat in de intercity naar Zwolle aan de telefoon met zijn broer te praten. Hij zei tegen hem dat hij vond dat het Nederlands Elftal sinds het winnen van de Europese titel belabberd speelde en dat de blunderde bondscoach per direct ontslagen moest worden. Bij het volgende station stapten er vier agenten in die hem gearresteerd hebben. Blijkbaar zat er iemand bij hem in de coupe die meteen 112 gebeld heeft ”

“Waarom zegt hij dan ook zoiets midden in een trein? Dan vraag je er gewoon om.”

“En ik?” zegt hij. “Heb ik er ook om gevraagd?”

Ik had al een vermoeden dat er iets mis was vanaf het moment dat we in de auto stapten en we met z’n drieën naar school reden.  In de tien minuten durende rit zei mijn vader niets, wat voor hem ongebruikelijk is. Normaal gesproken praat hij tegen hardop tegen de anderen … in het verkeer, wetend dat ze hem niet kunnen horen. Hij noemt ze eikels met twee linkerhanden. Of roept dat ze hun rijbewijs zelf hebben uitgeprint. Opmerkingen die hij nooit in hun gezicht zou kunnen maken. Misschien had ik bezorgd moeten zijn omdat hij zo stil was, maar ik dacht dat mijn ouders een simpele ruzie hadden gehad. Was dat maar zo geweest.

Tot overmaat van ramp kwamen we te laat. Met het schaamrood op mijn kaken schuifelde ik achter mijn ouders aan, op zoek naar drie lege stoelen, terwijl de directeur al was begonnen met zijn welkomstwoord. Zoals iedere ouderavond aan het eind van het schooljaar pronkte hij vervolgens een uur lang met de prestaties. De oplopende cijfers, het slagingspercentage van 98 procent en daardoor de uitstekende status van het Dicere College in Nederland. Maar waar iedereen in de zaal voor kwam waren de regels. Zoals gewoonlijk zouden ze deze brengen als positieve veranderingen en innovatieve toekomstplannen, maar in werkelijkheid waren het stuk voor stuk maatregelen verpakt in sierlijke leugens. Mobiele telefoons zijn al ruim tien jaar verboden en in 2027 werd Google op alle computers geblokkeerd en kwam er een meer veilige, door de overheid gemaakte zoekmachine voor in de plaats

“Met trots kunnen wij u vertellen dat er middels de nieuwe wet Staatsnationalisme met ingang van volgend schooljaar uitsluitend les zal worden gegeven in de Nederlandse taal. Engels, Duits en Frans komen hierdoor te vervallen.”

Op het metershoge scherm op de muur achter de directeur verschijnt het beeld van een wapperende Nederlandse vlag, gevolgd door foto’s van jongeren van mijn leeftijd. Breed lachend staan ze op de Dam in Amsterdam, de Keukenhof en het Binnenhof in Den Haag .

“Communicatie vormt de hoeksteen van onze samenleving,” gaat de directeur verder. “En door onze leerlingen de rijke historie van onze taal bij te brengen dragen we bij aan een toekomst waarin respect voor het vaderland tot een nog sterkere eenheid zal leiden.”

Naast me hoor ik mijn vader een keer snuiven. Ik werp hem een venijnige blik toe, maar hij staart vooruit en heeft zijn kaken stevig op elkaar gedrukt.

“Voorafgaand aan de lessen Nederlands zal net zoals bij het vak Nederlandse Geschiedenis het Wilhelmus gezongen worden-….”

Midden in de toespraak staat mijn vader opeens op. Hij torent boven alles en iedereen uit. Meteen grijpt mijn moeder de mouw van zijn jasje en trekt er smekend aan in een poging hem weer te laten zitten, maar mijn vader is onverzettelijk. Overal zie ik mensen zich naar ons omdraaien, inclusief de bewakers langs de wanden van de aula. Heel even denk ik nog dat hij iets wil vragen, maar diep in mijn hart weet ik wat hij van plan is. Als vanzelf schudt  ik mijn hoofd.

“Wat ik graag wil weten,” galmt mijn vaders stem. “Is wat jullie onze kinderen kunnen leren door ze op deze manier te beperken ?”

 De bewakers komen direct van hun plek. Ik zie ze vanuit mijn ooghoeken in beweging komen. In mijn hoofd schreeuw ik tegen mijn vader dat hij op moet houden, maar mijn lichaam verstijft op het puntje van mijn stoel.

 “Hoe kunnen zij zichzelf ontwikkelen als ze dag in, dag uit hetzelfde horen?” Het is geen vraag. Mijn vader zegt wat niemand kan, wat niemand durft. “Jullie veranderen ze in robots en draaien elke dag de tandwielen strakker aan”

 Vijf mannen in hun uniformen rennen door het gangpad, hun zware laarzen stampend op de stenen vloer op hetzelfde ritme als mijn bonkende hart.

“Mijn dochter, en alle kinderen in deze zaal verdienen meer dan wat jullie voor haar kiezen. Ze verdienen meer van de wereld,” roept hij. Ergens achter me hoor ik iemand klappen.

 Het enige dat ik doe is vol ongeloof en schaamte toekijken hoe ze mijn vader met zijn handen op zijn rug geboeid meenemen. De rest van avond buig ik mijn hoofd .

“Je wist het van tevoren, dat je gearresteerd zou worden en toch deed je het,” zeg ik meer bitter dan de bedoeling is. Want terwijl hij hier zit, afgesloten van de buitenwereld, word ik er dagelijks aan herinnerd wat hij gedaan heeft. Het voelt alsof ík juist degene ben die veroordeeld is.

“Ik snap dat je boos bent om wat ik gedaan heb,” zegt hij oprecht. “En omdat ik jullie in de steek heb gelaten, maar ik kon mijn mond niet langer houden.”

Waarschijnlijk ziet hij aan me dat ik nog niet overtuigd ben, want hij buigt opnieuw over de tafel, zo dichtbij als mogelijk is. “Ik heb ooit een wijze man horen zeggen dat we in deze wereld moeten opkomen voor wat we geloven, ongeacht de gevolgen. Wanneer iedereen je vertelt om opzij te gaan is het jouw taak om jezelf diep in de grond te planten als een boom naast de rivier van de waarheid en te antwoorden: Nee, ga jij maar .” Hij glimlacht. “Ik weet het, het is wat dramatisch, maar begrijp je het nu?”

Ik staar naar mijn handen op de tafel, terwijl ik verwoede pogingen doe om de brok in mijn keel weg te slikken. “Weet ik niet. Misschien.”

Minuten gaan stil voorbij. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik durf niks te zeggen. In plaats daarvan schuif ik mijn hand over de tafel naar de zijne. Als hij hem vastpakt wellen er tranen op in mijn ogen.

“Als ik hier uitkom” fluistert hij. “Dan emigreren we naar Amerika.”

“Amerika?” herhaal ik net zo zacht.

“Sinds President Trump is er daar evenveel vooruitgang geboekt als we hier achteruit gegaan zijn” legt mijn vader uit. “Hij is een voorbeeld van iemand die staat voor zijn idealen en niet bang is te zeggen wat hij denkt . Hij is niet voor niets telkens opnieuw herkozen”

De deur gaat open en de agent komt weer naar binnen, even onverschillig als daarnet. Mijn vader en ik vallen direct stil, bang dat hij hoort waar we het over hebben. Maar niets zeggen is ook opvallend. Hij komt recht op ons af gelopen.

“Het bezoekuur is afgelopen,” zegt hij snijdend. Opgelucht dat hij niets gehoord heeft laat ik mijn vaders handen los. Hij plaatst ze gemoedwillig achter zijn rug.

“En de boom dan?” vraag ik, terwijl hij wordt meegetrokken.

Hij heeft nog tijd voor een laatste antwoord voor hij teruggebracht wordt naar zijn cel en ondersteund die met een blik die me beloofd dat alles goed komt.

“We planten hem ergens waar hij wel kan groeien”

*****

Zeg 't maar! :)